Het zijn nogal eigenwijze mensen, die molenaars. Dat zeggen ze zelf. Russ Pulles en Cees de Jong zijn allebei molenaar. Russ op de molen in Bolderburen en Cees staat in het weekend in Buren en Beesd. Maar worden eigenwijze mensen molenaar of worden molenaars eigenwijs?

tekst: Erwin Fisser Molenaars nr 4

Molenaar zijn gaat verder dan ‘leuk’, dat moet in je zitten of zoals Russ het zegt “het moet in je geboren worden.” Je staat in de natuur, bent bezig met de techniek en het onderhoud van een molen, je beheert een bewegend, levend monument. “Dat zijn allemaal facetten die je moet beheersen,” vertelt Russ. “Ik denk niet dat je er eentje kunt missen.” Cees is al zijn hele leven ‘gek van molens’ al vanaf dat hij kon praten. Niemand in zijn omgeving was dan ook verbaasd toen hij de opleiding tot molenaar ging doen. “Ik vond dat als kind al ‘kicken’ dat ik iets kon wat anderen niet konden, een molen draaien.” Ze begrijpen elkaar goed als het gaat om molenaar zijn, al liggen de accenten in de invulling wat anders. “Russ maalt denk ik meer,” aldus Cees, “waar ik wat meer groepen ontvang.”

Een molen moet je als vrouw behandelen
Russ en Cees zijn heel andere types. Maar wel allebei van het slag dat je ‘kerels’ kunt noemen. Een stevige handdruk, zwarte koffie en niet bang voor hard werken, dat slag. Een soort zeebonken, maar dan aan land. Het klopt volgens beiden dat vrijwel alle molenaars mannen zijn en dat er onderling ook wel gezegd wordt dat je een molen eigenlijk als een vrouw moet behandelen. “Met liefde. En af en toe moet je ze stevig aanpakken,” lachen ze. Maar vrouwelijke molenaars zijn niet alleen welkom, het is ook gewenst. Het is niet iets waar je per se man voor zou moeten zijn.
Molenaar word je echter niet zomaar, de opleiding duurt meerdere jaren en de examens zijn pittig. En dat is ook nodig, je moet immers veel weten en je werkt met een monument. En hoe lieflijk een draaiend molentje er ook uitziet, de wieken wegen al snel vier ton en als je daar de controle over kwijt raakt dan kan het al snel gevaarlijk worden.

Je moet altijd scherp blijven
“Kijk, het draaien van een molen op zich is niet zo uitdagend,” vertelt Russ, “maar als het misgaat, dan kun je zomaar ineens een probleem hebben.” Hij vertelt van een zomerse dag waarop er letterlijk ‘geen vuiltje aan de lucht’ was. Geen enkele aanleiding te zien, maar binnen een minuut sloeg het om. De wind nam plotseling toe en draaide, de molen stond al bijna te klapperen. Dan moet je wel aan de bak. Cees herkent de situatie ook. “Ik hou van lekker doordraaien, maar ik ben wel een voorzichtige molenaar. Je moet altijd scherp blijven. Zeker als je met je molen in de stad staat.” Cees is gelukkig nog nooit door het oog van de naald gekropen, maar het gaat nog wel eens mis ergens in het land. “Meestal met molenaars die al 25 tot 30 jaar in het vak zitten, “ weet Russ. Hij is er dan ook voorstander van dat je een molen met zijn tweeën draait. “Klopt,” beaamt Cees, “maar  dan heb je vaak een bezettingsprobleem.”

Fulltime molenaar zijn is lastig. Boord op de plank is toch wat anders dan meel op de plank.

Een molen is geen tijdcapsule
Molenaars zijn niet dik gezaaid. In onze regio is er wel een tiental molens te vinden die ook echt draaien, maar vaak draait één molenaar meerdere molens. En als je dan een keertje niet kunt, dan is het moeilijk een vervanging te vinden. En niet draaien, dat kan eigenlijk niet voor een molen. Draaien is het belangrijkste onderhoud, dat smeert de molen en houdt het vocht weg. Doe je dat niet, dan krijg je kosten. En, zo vinden beiden, een molen is geen tijdcapsule maar een levend monument. Door het te gebruiken zoals het bedoeld is, met kennis van en respect voor de historie gaat een molen mee met de tijd, zonder historische waarde te verliezen.

Ambassadeur van een ambacht
Hartstikke leuk om te zien zo’n molen, maar bakkers willen graag continuïteit in hun meel. En voorspelbaarheid. Dan is meel uit de fabriek toch eigenlijk veel beter? Dat blijkt genuanceerder te liggen. Het klopt dat je als bakker bij fabrieksmeel veel beter weet wat je krijgt, maar zo’n graankorrel wordt wel veel vaker bewerkt, het gaat onder verschillende walsen door en wordt continue verwarmd en gekneusd. Daar gaat telkens smaak, aroma en voedingswaarde verloren. En, ook niet onbelangrijk vindt Cees: “In de molen kun je gewoon nog echt zien waar je eten vandaan komt, hoe het gemaakt wordt.” Er zijn nog 25 tot 30 beroepsmatige molenaars in Nederland, maar dat is wel heel lastig, brood op de plank is toch wat anders dan meel op de plank. Het doorgeven van de historie aan een volgende generatie vinden de molenaars mooi. Grinnikend vertelt Russ: “Onlangs had ik een hier een klasje, vraagt een jongetje van vier ineens: “Waar is het kropgat? En heb je ook een zeefkast?” Cees: “Daar doe je het voor!”