Culemborg krijgt in 1318 stadsrechten, dat kan bijna niemand meer zijn ontgaan. Het Genootschap A.W.K. Voet van Oudheusden reconstrueert hoe dat in zijn werk zou kunnen zijn gegaan. Verdeel de rollen en speel de geschiedenis na aan je eigen keukentafel…

Tekst: Hans Saan 

Het is 18 november 1318. Het is koud, het haardvuur in de grote zaal is aan. In het kasteel van Culemborg komen vier belangrijke heren bij een om de stadsrechten van Culemborg op papier te zetten. Vanavond worden de laatste zinnen toegevoegd, over straffen, boetes en andere geldzakenJohan van Beusichem, heer van Culemborg is alvast aan de grote tafel gaan zitten. Dan komen de andere mannen aan: Mathias, de schrijver en twee schepenen van Culemborg, Pieter en Gerard. In de zaal worden de heren bediend door de knecht, Jan. Zouden de heren het eens worden? 

Broeder Mathias: “Gegroet heer Johan. God zij met u!” 

Heer Johan: “En met u, broeder Mathias. Goede rit gehad door de sneeuw? Ah, daar is mijn dienaar.” 

Knecht Jan: “Heer Johan, twee schepenen zijn aangekomen.” 

Heer Johan: “Goed Jan, breng ons de gewone wijn. Zo mannen, goed dat jullie er zijn. Mijn vierschaar is niet compleet, zie ik. Waar zijn die andere twee?” 

Schepen Pieter: “Everhard is nog ziek, maar de chirurgijn zegt dat het goed komt. Enne… Nicolaas wou niet mee, te druk met zijn paardenhandel.”  

Heer Johan: “Wou niet mee? Als zijn heer hem roept, heeft hij te komen. Noteer, Mathias: in zo’n geval vijf pond boete!  

Broeder Mathias zal zo voorlezen wat we vorige keer besproken hebben over erfenissen en weeskinderen. Maar eerst: hoe is het binnen onze grachten. Spreek, Gerard.” 

Schepen Gerard: “Goed, heer. De gracht is klaar. Tegenover de St Jan zetten ze de wilgentenen stukken op de wal. We zouden wat graag een stenen muur neerzetten.” 

Heer Johan: “Weet je wat, dan laten we veroordeelden met stenen hun boete betalen in plaats van met zilver. Vijf pond is al gauw 1000 bakstenen. Dat schiet lekker op. Ja, Pieter…” 

Johan van beusichem

Johan van Beusichem

Schepen Pieter: “Heer, in ons keurboek noteren we alle straffen en die lezen we ieder jaar voor. Ook lezen we ieder nieuw vonnis luid en duidelijk voor aan de mensen op de markt. Nu moeten we misdragingen zoals liegen en vechten met vuist of mes gaan bespreken. Ook een kleine ruzie kan aardig uit de hand lopen. Die andere partij denkt dan wel even wraak te kunnen nemen, als is het maar op een familielid. En dan willen die anderen weer wraak. Het houdt niet op. Harde straffen, dat schrikt af. Nietwaar, broeder Mathias?” 

Broeder Mathias: “Ja heer schepen. En de doodstraf als er, God verhoede, weer gemoord wordt.” 

Heer Johan: “Moord mogen jullie schepenen zelf bestraffen! We hebben die galg op Redichem niet voor niets. Laten we opschrijven dat er eigenlijk helemaal niet gevochten mag worden. Dat burgers jullie moeten helpen vechtenden uit elkaar te houden. Niet helpen? Pats, een boete. En als iemand meent dat ‘m wat aangedaan is komt-ie bij de vierschaar klagen en dan horen we wel wat de aangeklaagde ervan zegt. Onder ede, hand op de bijbel.” 

Schepen Pieter: “Heer, neem nou wat gisteren gebeurde. De bakker wil met de kar achterom naar de bakkerij, maar zijn buurman de smid staat daar paarden te beslaan. Meteen schelden, handtastelijkheden en nu heeft die gemene broer van de smid de bakker een bloedneus geslagen. Die jongen heeft vaker straf gehad. Wat doen we daar dan mee?” 

Heer Johan: “In dit geval een schadevergoeding voor de bakker. Die heetgebakerde knaap te schande zetten en ‘m een flinke boete geven. Als die jongen dan nog eens zo tekeergaat, stuur ’m dan maar een tijdje op bedevaart. De bakker en de smid moeten zich voor de vierschaar verzoenen en de dader moet te biecht. Dat blijven we gewoon zo doen. Wat we nu extra belangrijk vinden schrijven we nog op. Is er nog meer? Gerard?” 

Schepen Gerard: “We willen graag eigen geld voor de stad, heer. Want we willen een muur bouwen met torens en vier poorten en een stenen stadhuis. U zei vorige keer dat u alléén erfpacht over de huizen wilt en dat u ons vrijstelling geeft van belastingen op de markt.” 

Heer Johan: “Ja, die erfpacht dat klopt. Maar ik bedoelde belastingvrijheid op de jáármarkt. Iedere weekmarkt, nee, dan loop ik teveel mis. Wat jullie zelf aan belastingen willen heffen gaat me niet aan. Trouwens: ik wil dat we opschrijven, voor de zekerheid, dat ik mijn oude rechten als heer behoud. Als ik ten strijde trek, helpen jullie me met weerbare mannen. Als mijn zoon Hubrecht trouwt doe ik een bede. Dan mogen jullie zelf het bedrag bepalen en laat ik weten of dat voldoende is. O ja, de klokslag: als de klok luidt, komt iedere weerbare man naar de markt. Als er iets met de dijk is, of brand, of een bedreiging van buitenaf… iedereen komt. Wie weigert, een boete. En die boetes, dat doen we zo, een derde voor jullie, de rest is voor mij. Zo, dat is wel genoeg voor nu. Neem nog wat wijn. Ja, Pieter, wat is er?” 

Schepen Pieter: “Heer, ik verwacht dat broeder Mathias dit allemaal mooi in een stadsbrief bij elkaar schrijft en dat we die nog kunnen lezen. We hopen dat u het op een feestelijk moment, bij voorbeeld de dag van St. Nicolaas, patroon van de handelaren, aan alle Culemborgers bekend maakt.”  

Heer Johan: “Dat zal ik zeker doen. Dan breng ik wat van mijn verwanten mee, die hangen dan ook hun zegel aan die brief. Ik doe dat van harte, omdat ik jullie vriendschap zéér op prijs stel. En omdat een beetje heer zijn eigen stad heeft, en omdat meer handel en mensen nu eenmaal meer geld opbrengt. We gaan er tot in de eeuwigheid allemaal plezier van hebben, van die stadsrechten. Proost, mannen.”  

Het Genootschap A.W.K. Voet van Oudheusden is de historische vereniging van Culemborg en telt momenteel een kleine 825 leden. Meer lezen over de stadsrechten? Het genootschap heeft er een ‘Voetnoot’ en een lezing over in voorbereiding. Je hoeft alleen maar lid te worden om dat alles te weten te komen. Ga naar www.voetvanoudheusden.nl en meld je aan.