Culemborg en meubels horen bij elkaar. Nog niet zo lang geleden waren er tientallen meubelfabrieken. Grote merken zitmeubels, salontafels, eetkamertafels en stoelen werden hier ontworpen en gebouwd en door heel het land, en daarbuiten, verkocht. Nu kun je een biertje drinken in de oude Gelderlandfabriek en zitten er ateliers in de oude fabriek van Van Gaasbeek en Van Tiel. Wat is er gebeurd?

tekst: Susanne Binnekade
foto’s: Jord Visser

Culemborg is heel erg lang een echte meubelstad geweest. Stoelenmakers zaten hier al vanaf de late middeleeuwen, want Culemborg ligt heel handig midden in het land en grondstoffen als hout en biezen zijn in de buurt makkelijk te krijgen. De meubelmakerij bloeide en groeide met zijn tijd mee. Omdat er zoveel vakmensen in Culemborg waren, verhuisde Gispen in de jaren ’30 hun meubelfabriek van Rotterdam naar Culemborg en het hoofdkantoor zit hier nog steeds. Niet alleen de klassiekers van Gispen maar ook de beroemde banken van Gelderland, waar Jan des Bouvrie ontwerper was, komen uit Culemborg. Op het hoogtepunt zaten hier ruim 60 meubelfabrieken en veel inwoners werkten in de meubelindustrie. Het was echt Culemborg Meubelstad.

Veldhuizen en Van Hussen
We blikken terug met Henk Veldhuizen (76 jaar) en Hans van Hussen (79 jaar), oude rotten in het vak. Zij hebben de opkomst en neergang van de meubelindustrie van dichtbij meegemaakt in de ruim 60 jaar dat zij werkzaam waren in de meubelindustrie. “Culemborg Meubelstad, daar adverteerden wij als meubelhandelaren mee,” vertelt Hans. “Toen kwam er een brief van de advocaat van de landelijke keten Sanders Meubelstad dat wij deze naam niet mochten gebruiken. Dat proces hebben we natuurlijk glansrijk gewonnen want Culemborg Meubelstad was er veel eerder”. Hans en Henk hebben elkaar al een tijd niet gezien of gesproken, dus er moet ook worden bijgepraat. “Zo, hoe oud ben jij nu?” “Dat zou je ook niet zeggen,” “Sport jij nog?” of: “Speel jij nog steeds accordeon?” En roddels: “Jaja, Jan Kopie.” Ook de relaties van wederzijdse bekenden komen gedurende het hele gesprek langs. “Had jij dat gedacht?” En een meubelfabriek mag pas een meubelfabriek heten als het hele proces van ontwerp tot aflevering van het meubel onder een dak plaatsvindt.

Je begint als meubelmaker…
Je zou denken dat Henk Veldhuizen op zijn leeftijd al enige tijd met pensioen is, maar hij werkt nog volop in zijn meubelfabriek Havee Meubelen. Henk vertelt: “Ik ben begonnen als meubelmaker toen ik 14 jaar oud was. Mijn vader was houtfreeser en kwam als een soort zzp-er bij alle fabrieken in Culemborg om zijn werk te doen. Mijn ouders hadden vijf zonen en die hebben allemaal, korter of langer, in het bedrijf gewerkt.” Jongste broer Fred Veldhuizen was een begenadigd amateurwielrenner, en kampioen van Nederland. Hij stierf onverwacht toen hij 19 jaar oud was. In de nieuwe wijk Parijsch wordt er een straat naar hem vernoemd en daar is de familie trots op. “Nu runnen mijn broer Rinus en ik de fabriek, samen met onze beide zonen. Rinus gaat over de stoffeerderij en ik ontwerp meubels en maak productietekeningen.”

De vader van Hans van Hussen was eigenaar van meubelfabriek Hussen – Valk. Na zijn militaire diensttijd kwam Hans in de zaak. “We deden alles in de fabriek, tot aan het spuiten van eiken, want eiken is niet van zichzelf donker. We maakten kloostertafels, rookfauteuils en gotische fauteuils met houten leeuwen. Vader Veldhuizen deed het freeswerk voor ons.” In 1979 is de meubelfabriek, na 67 jaar, overgegaan op verkoop aan particulieren. Hussen werd dealer van bekende merken. “Er werkten toen nog zo’n vijf of zes mensen in de fabriek, die zijn in dienst gebleven tot ze 65 waren,” vertelt Hans trots.

Dat er zoveel meubelfabrieken waren, kwam omdat bijna iedereen die in een fabriek werkte vroeg of laat voor zichzelf begon. Dan had je er weer een meubelfabriek bij, en ontstond er een nieuw familiebedrijf. De meeste waren heel klein. Van alle ruim zestig meubelfabrieken in Culemborg, zijn er nu nog vier in bedrijf: Havee Meubelen, Van der Sluys, Gispen en Gelderland. Een van de oudste en grootste meubelfabrieken van Culemborg, Van Gaasbeek & Van Tiel, sloot in 2016 de deuren. Gebroeders van der Stroom is naar Asperen verhuisd en De Toekomst zit tegenwoordig in Beesd. Veel fabrieken en handelaren gingen failliet, anderen stopten voordat het zover kwam, of omdat er geen opvolger was.

Wat ging er mis?
In al die jaren zijn er heel wat crisissen geweest. De meubelindustrie is daar gevoelig voor. “Als het economisch niet voor de wind gaat, kopen mensen geen nieuwe meubels,” legt Henk uit. Hij herinnert zich nog de bestedingsbeperking uit de jaren 80. “En met zoveel fabrieken was de concurrentie moordend, en dan moest je nieuwe dingen bedenken. Je moest op tijd overstappen op andere lijnen.” Veel fabrieken gingen over op de particuliere verkoop. Zoals Van Hussen: “Wij verkochten mooie merken, echt kwaliteit. Toen de aanvoer van goedkopere meubelen uit landen als Polen, Roemenië, Turkije en later China groeide, werd het steeds lastiger. De economische crisis van 2008 was voor veel van de overgebleven meubelbedrijven de genadeklap. “Wij zeiden tegen elkaar: jongens, voor het misgaat stoppen we. Dat was in 2012 en ik was ook al 72 jaar oud toen, het was mooi geweest,” licht Hans toe.

Culemborg Meubelstad als zodanig bestaat niet meer. Echte meubelfabrieken die alles zelf maken zijn er nauwelijks meer. Maar de meubelbranche is niet verdwenen: stoffeerderijen, schuimrubberfabrikanten, groothandelaren en eenmans-meubelmakers zijn er zeker nog. En Culemborg trekt steeds meer jonge kunstenaars en creatieve makers aan. Dus wie weet wat de toekomst nog brengt.

Inspirerende verbindingen
Hans van Hussen en Henk Veldhuizen hebben plezier in het gesprek. “Hoe langer je er nog over nadenkt, hoe meer je te binnenschiet.” Als er een reünie zou kunnen komen met iedereen die ooit iets betekend heeft in de meubelindustrie van de afgelopen 60 jaar, wie zouden zij dan willen ontmoeten? Hans weet het meteen: “De ouwe meneer Kees van Os. Zijn ontwerpen waren prachtig. Vernieuwend ook, zijn fabriek was de eerste die met buighout begon. Zo jammer dat die meubelfabriek er niet meer is.“ Henk zou Toon Verwoerd wel willen terugzien, van de Houtzagerij die zat waar nu verpleeghuis de Kulenborg staat. “Zo’n aardige man. Bij hem kon je boomstammen uitkiezen en dan werden daar planken van gezaagd.” En Meneer Yntema, de leraar meubelmaken van de oude Technische School. “Van hem heb ik alles geleerd.”

Als we na het gesprek de showroom van Havee Meubelen uitlopen valt het oog van Hans van Hussen op een fauteuiltje. “Moet je eens kijken hoe mooi dat gemaakt is. Schitterend die verbindingen in het hout, dat is genieten. Met zo’n model hoef je niet bang te zijn voor buitenlandse concurrentie.”